Groepsdynamische onderzoeken

Harlows Aap-hechtingsexperimenten

Harry Harlow toonde in de jaren 50 met zijn rhesusaapjesexperimenten aan dat hechting niet simpelweg voortkomt uit wie er voedt, maar uit wie troost en fysiek contact biedt – een…

Kern

Harry Harlow toonde in de jaren 50 met zijn rhesusaapjesexperimenten aan dat hechting niet simpelweg voortkomt uit wie er voedt, maar uit wie troost en fysiek contact biedt – een bevinding die de toenmalige heersende opvatting over gehechtheid op zijn kop zette.

Opzet en bevindingen

Jonge rhesusaapjes werden gescheiden van hun moeder en kregen toegang tot twee kunstmatige "moeders": een kale, van draad gemaakte constructie met een voedingsfles, en een zachte, met stof beklede constructie zonder voedsel. Ondanks dat alleen de draadmoeder voedsel gaf, brachten de aapjes verreweg de meeste tijd door bij de zachte lappen-moeder, en zochten daar ook hun toevlucht bij angst of stress – ze gingen alleen naar de draadmoeder om te drinken.

Betekenis en kritiek

Harlow concludeerde dat troostend fysiek contact ("contact comfort") een fundamentelere behoefte is dan voeding alleen bij het ontstaan van hechting – een bevinding die destijds inging tegen zowel het behavioristische idee (hechting = aangeleerde associatie met voeding) als de gangbare adviespraktijk (weinig fysiek contact met baby's). Het onderzoek beïnvloedde blijvend hoe er gedacht wordt over de basisbehoeften van kinderen én, breder, over waarom mensen in groepen behoefte hebben aan nabijheid en geruststelling, niet alleen aan praktisch nut. Het onderzoek kreeg achteraf ook stevige ethische kritiek vanwege het langdurige leed dat de geïsoleerde aapjes werd aangedaan – het geldt inmiddels als een schoolvoorbeeld van waarom modern dierenonderzoek aan strengere ethische toetsing onderworpen is.

Bronnen en literatuur

Harlow, H.F. (1958). The nature of love. American Psychologist.

Advertentie