Oriëntatie of kennismaking
Deelnemers maken kennis met elkaar en het programma. Ze laten nog niet het achterste van hun tong zien en tasten voorzichtig af; de aandacht is sterk gericht op de begeleiding.
Strijd om de macht
Er wordt bepaald welke (on)geschreven regels gelden en wie daarop een stempel mag drukken. Kritische vragen en discussies volgen, ook met de begeleiding; al snel wordt duidelijk wie de "veelpraters" zijn en naar wie geluisterd wordt.
Samenwerking
Voor de meeste doelgerichte groepen de meest ideale fase: relatieve rust, waarin ieder zijn energie kan richten op het doel van de bijeenkomsten. De onzekerheid van de eerste twee fasen ligt achter de groep.
Strijd om de intimiteit
Er ontstaat onrust over hoe deelnemers met elkaar omgaan: openheid versus geslotenheid, diepgang versus oppervlakkigheid. Discussies worden feller, er kunnen subgroepjes ontstaan en ook de begeleider krijgt vaak kritiek op de manier van begeleiden.
Harmonie
De deelnemers vinden hun weg in de samenwerking terug: men accepteert en respecteert elkaar zoals men is, of men is elkaar juist nader gekomen en heeft dieper contact en meer van elkaar geleerd.
Kern
Frank Oomkes beschrijft in zijn groepsontwikkelingsschema (2004) een lineair model van vijf fasen die elkaar opvolgen, gebaseerd op de klassieke groepsdynamica. De fasen verschillen vooral van elkaar op het gebied van sfeer in de groep. In principe doorloopt elke groep alle fasen, ongeacht hoe lang de groep bij elkaar is – het proces past zich als het ware aan de beschikbare tijd aan. Bij langlopende groepen kan na verloop van tijd opnieuw een strijd om de macht optreden.
De fasen
1. Oriëntatie of kennismaking
Deelnemers maken kennis met elkaar en het programma. Ze laten nog niet het achterste van hun tong zien en tasten voorzichtig af; de aandacht is sterk gericht op de begeleiding.
2. Strijd om de macht
Er wordt bepaald welke (on)geschreven regels gelden en wie daarop een stempel mag drukken. Kritische vragen en discussies volgen, ook met de begeleiding; al snel wordt duidelijk wie de "veelpraters" zijn en naar wie geluisterd wordt.
3. Samenwerking
Voor de meeste doelgerichte groepen de meest ideale fase: relatieve rust, waarin ieder zijn energie kan richten op het doel van de bijeenkomsten. De onzekerheid van de eerste twee fasen ligt achter de groep.
4. Strijd om de intimiteit
Er ontstaat onrust over hoe deelnemers met elkaar omgaan: openheid versus geslotenheid, diepgang versus oppervlakkigheid. Discussies worden feller, er kunnen subgroepjes ontstaan en ook de begeleider krijgt vaak kritiek op de manier van begeleiden.
5. Harmonie
De deelnemers vinden hun weg in de samenwerking terug: men accepteert en respecteert elkaar zoals men is, of men is elkaar juist nader gekomen en heeft dieper contact en meer van elkaar geleerd.
Kernprincipes & praktische toepassing
Het model gaat uit van een grondpatroon dat in elke groep is terug te vinden, ongeacht het type groep. Als begeleider stuur je op je (leer)doel: afhankelijk van wat je met een programma wilt bereiken is een bepaalde fase meer of minder interessant, en onderneem je vooral in fase 2, 3 en 4 acties om het proces te versnellen of te vertragen richting fase 5.
Valkuilen
De strijd om de macht (fase 2) of de strijd om de intimiteit (fase 4) opvatten als een probleem dat opgelost moet worden, terwijl het een voorspelbaar onderdeel van het grondpatroon is. Een groep te snel "doorduwen" naar fase 5 zonder de voorgaande fasen hun werk te laten doen, ondermijnt juist de harmonie die je beoogt.
Tips voor de begeleider
Herken aan de sfeer in de groep in welke fase je zit, en stem je interventies daarop af in plaats van op een vast programmaonderdeel. Wees je ervan bewust dat bij langlopende groepen de strijd om de macht opnieuw kan opflakkeren, bijvoorbeeld na een nieuw groepslid of een nieuwe opdracht.