Kern
Muzafer Sherif onderzocht in de zomer van 1954, samen met collega's, hoe groepsconflict en -samenwerking ontstaan. Op een zomerkamp in Robbers Cave State Park (Oklahoma) verdeelde hij tweeëntwintig onbekende, vergelijkbare jongens in twee groepen (“de Adelaars” en “de Ratelslangen”) die eerst niets van elkaars bestaan wisten.
Opzet en bevindingen
In de eerste fase bouwde elke groep apart een eigen identiteit op. Toen de twee groepen elkaar ontmoetten en tegen elkaar gingen wedijveren in competitieve spellen, ontstond binnen enkele dagen vijandigheid: schelden, vlaggen verbranden, opstootjes. Pas toen Sherif de groepen confronteerde met problemen die ze alleen sámen konden oplossen (een kapotte watervoorziening, een vastgelopen vrachtwagen) – zogeheten superordinate goals, gedeelde doelen die boven het onderlinge conflict uitstijgen – verdween de vijandigheid en ontstonden nieuwe, gemengde vriendschappen.
Betekenis en kritiek
Het experiment onderbouwde Sherifs realistische-conflicttheorie: groepsconflict ontstaat vooral uit concurrentie om schaarse zaken, en wordt het effectiefst opgelost door een gedeeld, overkoepelend doel – niet door de groepen simpelweg vaker met elkaar in contact te brengen. Dit inzicht wordt nog steeds gebruikt bij teambuilding en het doorbreken van “wij-zij”-denken tussen afdelingen. Sherif deed in de jaren daarvoor al ander invloedrijk werk naar groepsinvloed, zoals zijn onderzoek naar het autokinetisch effect; kritiek op Robbers Cave betreft vooral de kleine, homogene steekproef (uitsluitend witte jongens van 11-12 jaar) en Sherifs actieve regie als kampleider, wat generalisatie lastig maakt.
Bronnen en literatuur
Sherif, M., Harvey, O.J., White, B.J., Hood, W.R., & Sherif, C.W. (1961). Intergroup Conflict and Cooperation: The Robbers Cave Experiment.