Kern
Henri Tajfel onderzocht vanaf 1970 hoe weinig er nodig is om mensen zich met een groep te laten identificeren en de eigen groep te bevoordelen boven een andere – met zijn "minimal group"-experimenten.
Opzet en bevindingen
Proefpersonen werden op volstrekt triviale, willekeurige gronden in twee groepen ingedeeld (bijvoorbeeld op basis van een muntopgooi, of een voorkeur voor het werk van de ene of de andere abstracte schilder). De groepsleden kenden elkaar niet, werkten nooit samen en hadden geen enkel belang bij de indeling. Toch kregen deelnemers, wanneer ze punten mochten verdelen tussen leden van de eigen en de andere groep, systematisch meer toebedeeld aan hun eigen groep – zelfs als een eerlijkere verdeling voor iedereen (inclusief henzelf) meer had opgeleverd.
Betekenis en kritiek
Dit liet zien dat groepsvoorkeur niet wortelt in concurrentie om schaarse middelen of een geschiedenis van conflict (zoals Sherifs Robbers Cave-experiment veronderstelde), maar al ontstaat bij de simpele categorisatie zelf – de basis van wat later sociale-identiteitstheorie zou worden genoemd. Voor teams en organisaties verklaart dit hoe snel een "wij-zij"-gevoel tussen afdelingen of teams kan ontstaan, ook zonder concreet conflict of concurrentie. Kritiek: de experimentele setting was kunstmatig en anoniem, wat vragen oproept over hoe sterk het effect is bij groepen met echte, langdurige relaties.
Bronnen en literatuur
Tajfel, H. (1970). Experiments in intergroup discrimination. Scientific American.