Kern
Irvin Yalom identificeerde elf (later herzien tot twaalf) therapeutische factoren die verklaren waarom werken in een groep – in therapie, maar evengoed in een team – effecten kan hebben die individueel werken niet oplevert.
Hoe het werkt & toepassing
Tot de bekendste factoren horen universaliteit (ontdekken dat je niet de enige bent met een bepaald probleem of gevoel, het tegenovergestelde van pluralistische onwetendheid), interpersoonlijk leren (een groep als "sociaal microkosmos" waarin je leert hoe je overkomt op anderen), cohesie, en het installeren van hoop. Voor teams die geen therapiegroep zijn, blijven vooral universaliteit en interpersoonlijk leren herkenbaar: een team waarin mensen merken dat anderen worstelen met dezelfde onzekerheid, of waarin feedback van collega's een spiegel biedt die je alleen nooit zou krijgen, profiteert van dezelfde onderliggende mechanismen die Yalom in therapiegroepen beschreef.
Bronnen en literatuur
Yalom, I.D. (1970). The Theory and Practice of Group Psychotherapy.