Kern
Philip Zimbardo voerde in 1969, twee jaar vóór zijn beroemdere Stanford Prison Experiment, een veldexperiment uit naar hoe een verwaarloosde omgeving vandalisme en diefstal uitlokt: hij zette een auto zonder kenteken en met de motorkap open achter in twee verschillende buurten.
Opzet en bevindingen
In de Bronx (New York), een buurt met meer zichtbare verwaarlozing en anonimiteit, werd de achtergelaten auto binnen enkele minuten voor het eerst gestript en was hij binnen 24 uur nagenoeg volledig vernield – onderdelen gestolen, ruiten kapot, bekleding vernield. In Palo Alto (Californië), een rustige, welvarende buurt, bleef een identieke achtergelaten auto meer dan een week vrijwel onaangeroerd staan – totdat Zimbardo zelf de auto met een moker begon te bewerken, waarna ook daar binnen enkele uren voorbijgangers meededen aan de vernieling.
Betekenis en kritiek
Zimbardo concludeerde dat zichtbare tekenen van verwaarlozing of reeds aanwezige schade een omgeving signaleren waarin niemand toezicht houdt of zich verantwoordelijk voelt, wat normaal geremd gedrag (vandalisme, diefstal) bij gewone voorbijgangers ontgrendelt – een vroege illustratie van wat later de "broken windows"-theorie zou worden genoemd. Voor organisaties en teams is de parallel dat een zichtbaar verwaarloosde werkomgeving, of een cultuur waarin kleine regelovertredingen ongestraft blijven, de drempel voor grotere overtredingen bij anderen verlaagt. Kritiek: het gaat om een eenmalige demonstratie in twee locaties, geen gecontroleerd herhaald experiment met statistische toetsing.
Bronnen en literatuur
Zimbardo, P.G. (1969). The Human Choice: Individual, Reason, and Order versus Deindividuation, Impulse, and Chaos. Nebraska Symposium on Motivation.