Oriëntatie, mijn rol in het team
Wat ben je voor team? Welke rol speelt het team binnen het bedrijf? Hoor ik bij het team? (+ samen, erbij horen / – angstig, onzeker, ongericht)
Vertrouwen
Wie ben ik? Is er voldoende basis om vertrouwen in elkaars kunnen te hebben? Mogen er onderling conflicten zijn, mag je elkaar uitdagen? (+ zeker, vol vertrouwen / – oppervlakkig, voorzichtig, gebrek aan vertrouwen)
Doelstellingen
Wat wil het team met elkaar bereiken? Is iedereen het eens over de doelstellingen? (+ gemeenschappelijke visie, duidelijke doelen / – apathisch, onnodig concurrerend, sceptisch)
Toewijding
Hoe doen we het? Is er voldoende commitment om de doelen te bereiken binnen de bestaande randvoorwaarden, en wie neemt de beslissingen? (+ duidelijke rolverdeling, duidelijke beslissingen / – weerstand)
Implementatie
Wie, wat, waar, hoe en wanneer? Duidelijke processen en richtlijnen zijn nodig – afspraken over deadlines, werkwijze en verantwoordelijkheden. (+ duidelijke processen, discipline / – gemiste deadlines, conflicten, verwarring)
High performance
Flexibiliteit, synergie en inspelen op veranderingen zijn nu van groot belang. Teamleden moeten elkaar gemakkelijk en spontaan weten te vinden om tegenvallers samen op te vangen. (+ synergie, spontane interactie / – disharmonie, overbelasting)
Continuïteit
Hoe gaat het team in de toekomst verder? Blijven we doorgaan zoals nu, moeten doelen worden bijgesteld, wat doen we de volgende keer anders? (+ feest, waardering / – burn-out, verveling)
Kern
Het model van de Amerikanen Alan Drexler en David Sibbet laat de zeven fasen zien die een groep normaal doorloopt om tot een excellent team te komen. Bij elke fase geldt een basisvraag, en elke fase roept bij de teamleden gevoelens op die zowel positief (bij een goed doorlopen fase) als negatief (bij onvoldoende aandacht) kunnen zijn. Het overslaan van stappen lijkt in eerste instantie tijdwinst op te leveren, maar leidt volgens Drexler en Sibbet uiteindelijk tot vertraging of een terugslag op de langere termijn.
De fasen
1. Oriëntatie, mijn rol in het team
Wat ben je voor team? Welke rol speelt het team binnen het bedrijf? Hoor ik bij het team? (+ samen, erbij horen / – angstig, onzeker, ongericht)
2. Vertrouwen
Wie ben ik? Is er voldoende basis om vertrouwen in elkaars kunnen te hebben? Mogen er onderling conflicten zijn, mag je elkaar uitdagen? (+ zeker, vol vertrouwen / – oppervlakkig, voorzichtig, gebrek aan vertrouwen)
3. Doelstellingen
Wat wil het team met elkaar bereiken? Is iedereen het eens over de doelstellingen? (+ gemeenschappelijke visie, duidelijke doelen / – apathisch, onnodig concurrerend, sceptisch)
4. Toewijding
Hoe doen we het? Is er voldoende commitment om de doelen te bereiken binnen de bestaande randvoorwaarden, en wie neemt de beslissingen? (+ duidelijke rolverdeling, duidelijke beslissingen / – weerstand)
5. Implementatie
Wie, wat, waar, hoe en wanneer? Duidelijke processen en richtlijnen zijn nodig – afspraken over deadlines, werkwijze en verantwoordelijkheden. (+ duidelijke processen, discipline / – gemiste deadlines, conflicten, verwarring)
6. High performance
Flexibiliteit, synergie en inspelen op veranderingen zijn nu van groot belang. Teamleden moeten elkaar gemakkelijk en spontaan weten te vinden om tegenvallers samen op te vangen. (+ synergie, spontane interactie / – disharmonie, overbelasting)
7. Continuïteit
Hoe gaat het team in de toekomst verder? Blijven we doorgaan zoals nu, moeten doelen worden bijgesteld, wat doen we de volgende keer anders? (+ feest, waardering / – burn-out, verveling)
Bronnen en literatuur
Teamperformance model van Drexler en Sibbet.